WANNES CAPPELLE & NICOLAS CALLOT duiken in het oeuvre van Schubert

Beluister het album HIER.

Wie Wannes Cappelle zegt, zegt Het Zesde Metaal. Met uitzondering welteverstaan van de Belgische pianist Nicolas Callot. Die begon spontaan aan Franz Schubert te denken, toen hij Cappelle enkele jaren geleden bezig hoorde. “Vooral wat hij solo doet op gitaar, sluit hard aan bij wat Schubert in de 19de eeuw deed”, weet Callot. De Oostenrijkse componist speelde zelden voor grote zalen, “maar musiceerde in de huiskamer met vrienden errond. En dat zit ook in de muziek. Zowel in die van Schubert als in die van Wannes.”

De pianist stelde aan Cappelle voor om samen in de ruim zeshonderd liederen van Schubert te duiken. Die vond dat wel een aantrekkelijk idee, maar het zou uiteindelijk tot vorig jaar duren voor de twee er effectief werk van maakten. “Festival van Vlaanderen Kortrijk vroeg mij toen om een programma samen te stellen”, vertelt de frontman van Het Zesde Metaal. “Ik zat daar redelijk mee verveeld omdat ik daardoor vlakaf zou moeten toegeven dat ik niets van klassieke muziek ken. Tot het idee van Nicolas mij plots te binnen schoot en iedereen bij het festival overliep van enthousiasme.” Iedereen, inclusief Cappelle.

Het opzet was simpel: Nicolas Callot zou enkele liederen uit het repertoire van Schubert selecteren en Wannes Cappelle zou daarvan de teksten – geschreven door Duitse dichters als Goethe – vertalen in het West-Vlaams. “En er is weinig wat ik liever doe dan dat”, geeft de singer-songwriter toe. “Als ik bij het schrijven van nieuwe muziek vastzit, dan vertaal ik soms gewoon bestaande popnummers die ik mooi vind. Dat is mijn soort soduko. Ik vind werkelijk niets leukers dan in het West-Vlaams woorden zitten zoeken en verdraaien om ze te doen passen in een bepaald metrum.”

Wat het deze keer weliswaar net iets moeilijker maakte, was dat Cappelle sommige woorden uit de teksten niet eens meer terugvond in een Duits woordenboek. “Die dingen zijn tweehonderd jaar oud”, lacht de West-Vlaming. “Niet dat ik ze letterlijk wou vertalen. Het laatste wat ik wou, is de luisteraar platslaan met dure woorden. Ik heb mij de teksten dus wel eigen gemaakt, maar ik heb er – ik vind dat een belangrijke nuance – niet mijn eigen verhaal van gemaakt. Ik ben trouw gebleven aan de inhoud én de partituur. Ook wanneer daar iets instond dat niet meteen binnen mijn stembereik lag, ben ik toch de uitdaging aangegaan.”

Ook muzikaal wou Nicolas Callot trouw blijven aan de originele werken. “Vandaag hoor je Schubert vaak op een moderne piano gespeeld worden,” vertelt de muzikant, “maar ik vind dat er meer kleur en retoriek zit in de piano forte uit die tijd. Vooral die retoriek is voor mij belangrijk, want zowel in het werk van Schubert als in dat van Wannes steekt een grote vertelkracht.”

Callot gelooft daarom eveneens dat de interpretatie van Cappelle dichter bij de originele uitvoeringen komt dan die van klassiek geschoolde zangers. “Ja, die kunnen meer decibels aan,” aldus de pianist, “en dat komt vandaag goed van pas omdat Schubert in grotere zalen wordt opgevoerd. Maar die nummers zijn daar niet voor geschreven. Wij willen mensen op deze plaat de kans geven om terug in de intimiteit van die liederen te kruipen. Alsof ze bij Wannes en mij in de kamer staan.”

‘Deze plaat’ heet Kom, benevelt mie! En Nicolas Callot overdrijft niet wanneer hij zegt dat ze klinkt alsof je met de twee muzikanten in dezelfde ruimte zit. “Toen de geluidsman van Het Zesde Metaal naar de opnames luisterde,” vertelt Cappelle geamuseerd, “vroeg hij hoever ik juist van de microfoon was gaan staan. In tegenstelling tot bij popmuziek, waarbij de stem van dichtbij wordt opgenomen en er achteraf nog effecten op worden gezet, wordt bij klassiek het geluid in de ruimte opgenomen. Zonder effecten. Voor wie Het Zesde Metaal gewoon is, zal dat rauw klinken, ja. Maar ik ben niet in dit avontuur gestapt om pop en klassiek netjes samen te brengen. Natuurlijk spreekt mijn achtergrond als singer-songwriter uit dit album, maar ik wou er in de eerste plaats het werk van Schubert mee leren kennen.”

Dat Cappelle daardoor breekbaarder en kwetsbaarder dan ooit tevoren klinkt, vindt Nicolas Callot juist het mooie aan de plaat. “Los van het feit dat die kwetsbaarheid ook in de muziek zit, krijg je daardoor als luisteraar het gevoel dat je iets beleeft. Een gevoel dat mensen ook tweehonderd jaar geleden moeten hebben ervaren, toen ze in een kamer bij Schubert rond de piano zaten. Ik hou niet van muziek als behang, en ik denk dat we gerust kunnen stellen dat Kom, benevelt mie! allesbehalve een album is dat in de achtergrond dreigt te verdwijnen.”